Terug naar overzicht
In discussies over drinkwaterreductie wordt vaak gesproken over alternatieven alsof het een simpele bronwissel is. In de praktijk is de kernvraag anders.

Drinkwater is jarenlang de meest logische keuze geweest voor industriële toepassingen. Het is beschikbaar, stabiel van kwaliteit en eenvoudig in gebruik. Maar dat uitgangspunt komt steeds vaker onder druk te staan. Niet alleen door groeiende vraag, maar ook door de vraag hoe Nederland de drinkwatervoorziening richting 2030 en daarna kan blijven garanderen.
Het RIVM schetst dat bestaande bronnen mogelijk niet voldoende zijn en dat besparing en het benutten van nieuwe bronnen nodig zijn om tekorten te voorkomen [1]. De Rijksoverheid wijst in dezelfde richting: uitbreiding van productie en structurele maatregelen moeten zorgen dat drinkwaterbeschikbaarheid op peil blijft [2].
In discussies over drinkwaterreductie wordt vaak gesproken over alternatieven alsof het een simpele bronwissel is. In de praktijk ligt de kernvraag anders. Niet elke toepassing vraagt drinkwaterkwaliteit. Maar zodra je water van een andere bron inzet, verandert wel het risicoprofiel van het systeem.
Het gaat daarom niet om het beste water, maar om water dat functioneel past bij de toepassing en beheersbaar blijft in de dagelijkse bedrijfsvoering.
Juist daarom is het belangrijk om drinkwatervervanging niet te zien als een losse maatregel, maar als onderdeel van professioneel watermanagement. Dat vraagt om inzicht in waterstromen, variatie en grenswaarden, en om een beheerstrategie die past bij het proces en de bijbehorende risico’s.
Wie alternatieven voor drinkwater bespreekt, komt bijna vanzelf uit bij koelwater. Koeltorens en open koelwatersystemen vragen vaak grote volumes, terwijl de functie in essentie eenvoudig is: warmte afvoeren. Tegelijk is koelwater ook het systeem waarin waterkwaliteit direct bepaalt hoe stabiel het draait. Zouten, hardheid, organische belasting en microbiologie hebben effect op corrosie, scaling en vervuiling. Dat maakt koelwater tegelijk kansrijk en kritisch. Het volume is groot, dus de impact van een alternatieve bron is groot. Maar de randvoorwaarden zijn strak, omdat het systeem gevoelig is voor ophoping en variatie. Precies daarom is koelwater in veel gevallen het startpunt van de transitie. Het is de plek waar je kunt besparen, maar alleen als je het systeem beheerst en niet op gevoel optimaliseert.
Alternatieven voor drinkwater ontstaan in de industrie grofweg uit twee richtingen. De eerste is het benutten van water dat al op de site aanwezig is, zoals intern proceswater of reststromen. De tweede is het inzetten van water uit de omgeving of keten, zoals oppervlaktewater of opgewerkt afvalwater. Op papier zijn er veel opties. In de praktijk draait het om voorspelbaarheid. De beste bron is niet per se de schoonste, maar de bron waarvan de kwaliteit voldoende stabiel is om beheersbaar te blijven.
Variatie is in industriële systemen vaak een grotere vijand dan de gemiddelde kwaliteit. Een bron die gemiddeld goed is, maar af en toe pieken heeft in zouten of organische belasting, kan in koelwater sneller tot incidenten leiden dan een bron die minder ideaal is, maar wel voorspelbaar.
Van alle alternatieven roept gezuiverd afvalwater vaak de meeste discussie op. Dat is begrijpelijk. Tegelijk wordt hergebruik van gezuiverd afvalwater op Europees niveau steeds serieuzer benaderd als route naar een veerkrachtiger watersysteem.
De Europese Unie heeft hiervoor een aparte verordening opgesteld met minimale eisen voor hergebruik van gezuiverd stedelijk afvalwater, gericht op toepassing in landbouwirrigatie [5]. Ook al is die insteek anders dan industriële toepassingen, het laat wel zien dat hergebruik beleidsmatig wordt gezien als een realistische en noodzakelijke optie, mits het zorgvuldig wordt geborgd.
Drinkwater is in veel bedrijven jarenlang synoniem geweest aan zekerheid. Alternatieven vragen om een verschuiving: niet het water zelf levert zekerheid, maar het beheer van het systeem.
Dat betekent dat organisaties vaker gaan sturen op bandbreedtes en trends, en minder op één vaste normwaarde. Ook betekent het dat waterkwaliteit en procesvoering meer aan elkaar gekoppeld raken. Variatie in bronwater wordt direct relevant voor de betrouwbaarheid van installaties.
Wie dat serieus organiseert, kan drinkwaterreductie combineren met robuuster waterbeheer. Wie het onderschat, loopt het risico dat een bronwissel in de praktijk leidt tot meer correcties, meer incidenten en uiteindelijk minder vertrouwen in alternatieven.
De overgang naar alternatieven voor drinkwater is uiteindelijk geen project dat je even uitvoert. Het is een stap in de professionalisering van watermanagement. Het vraagt inzicht in waterstromen, inzicht in waterkwaliteit en inzicht in risico’s.
Daarmee wordt drinkwaterreductie meer dan een duurzaamheidsdoel. Het wordt een manier om water als onderdeel van bedrijfszekerheid te organiseren. En in een beleidscontext waarin waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid steeds nadrukkelijker worden meegenomen in afwegingen, is die professionalisering niet optioneel maar logisch [1][3][4].
[1] RIVM. Aanpak drinkwatertekort na 2030 vraagt om besparing en gebruik van nieuwe bronnen
[2] Rijksoverheid. Nieuwe plannen om dreigend drinkwatertekort aan te pakken
[3] Europese Unie. Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) EUR Lex
[4] Europese Commissie. Water Framework Directive
[5] Europese Unie. Verordening (EU) 2020/741: minimumvereisten voor waterhergebruik
[6] Unie van Waterschappen. Effluent hergebruik: Europese kansen voor een circulaire waterketen

In discussies over drinkwaterreductie wordt vaak gesproken over alternatieven alsof het een simpele bronwissel is. In de praktijk is de kernvraag anders.